16 augustus

Waarom twee broers met dezelfde ouders toch heel anders kaal kunnen worden

Haar , ,

Broers en kaalheid

De oudste broer heeft op zijn dertigste duidelijke inhammen. Zijn jongere broer loopt tien jaar later nog steeds rond met bijna dezelfde haarlijn als op zijn achttiende.

Zelfde vader. Zelfde moeder. Voor een groot deel dezelfde familiegeschiedenis.

Hoe kan dat?

Erfelijke kaalheid klinkt alsof er één pakketje genetische informatie wordt doorgegeven: je hebt het kaalheid gen wel of niet. In werkelijkheid is mannelijke haaruitval veel ingewikkelder. Er zijn veel genetische varianten bij betrokken, kinderen krijgen niet exact dezelfde combinatie mee en zelfs bij een vergelijkbare aanleg hoeft het uiteindelijke resultaat niet hetzelfde te zijn.

Familiegelijkenis geeft dus aanwijzingen, geen blauwdruk.

Broers hebben niet dezelfde genen

Dat klinkt misschien vreemd. Broers hebben natuurlijk dezelfde biologische ouders en delen gemiddeld ongeveer de helft van hun variabele DNA.

Maar juist die andere helft maakt veel verschil.

Bij de vorming van eicellen en zaadcellen wordt genetisch materiaal telkens opnieuw geschud. Een kind ontvangt daardoor een unieke combinatie. Een broer kan relevante varianten erven die zijn gevoeligheid voor haarverlies verhogen, terwijl een andere broer een gunstiger combinatie krijgt.

Daarom kunnen allerlei erfelijke eigenschappen binnen hetzelfde gezin verschillen. Lengte, lichaamsbouw, oogkleur en aanleg voor bepaalde aandoeningen hoeven niet identiek te zijn.

Haarverlies vormt daarop geen uitzondering.

Het bekende verhaal over de opa van moederskant klopt maar half

Waarschijnlijk de bekendste genetische regel over kaalheid luidt ongeveer zo: kijk naar de vader van je moeder en dan weet je wat er met jouw haar gaat gebeuren.

Daar zit een klein stukje waarheid in, maar de conclusie is veel te groot.

Een belangrijk gen in onderzoek naar mannelijke patroon haaruitval is het gen voor de androgeenreceptor, vaak afgekort als AR. Dat bevindt zich op het X-chromosoom.

Een man krijgt zijn X-chromosoom van zijn moeder. Dat verklaart waarom de moederlijke familielijn wel degelijk belangrijk kan zijn.

Maar daarmee houdt het verhaal niet op.

Onderzoek heeft ook tal van genetische gebieden buiten het X-chromosoom in verband gebracht met mannelijke patroon haaruitval. Die kunnen via zowel vader als moeder worden geërfd.

Een kale vader is dus absoluut niet genetisch irrelevant. En een opa van moederskant met een volle haardos geeft geen garantie.

Er bestaat niet één kaalheid gen

Dit is waarschijnlijk het belangrijkste punt.

Mannelijke patroon haaruitval is polygeen. Dat betekent dat veel genetische varianten gezamenlijk invloed hebben op de kans dat iemand haarverlies ontwikkelt, hoe vroeg het begint en mogelijk ook hoe ernstig het wordt.

Dat verandert de manier waarop je naar families moet kijken.

Stel dat tien genetische varianten invloed zouden hebben. Dat is alleen een vereenvoudigd voorbeeld, in werkelijkheid is het genetische landschap veel groter. Broer A kan een relatief ongunstige combinatie erven. Broer B krijgt een aantal daarvan niet, maar erft weer andere varianten.

Beiden hebben “haarverlies in de familie”, maar hun persoonlijke genetische pakket is niet hetzelfde.

Daarom zie je geen keurige familiepatronen waarbij iedere man op exact dezelfde leeftijd dezelfde Norwood-fase bereikt.

Zelfs genetische voorspellingen zijn geen zekerheid

Onderzoekers hebben geprobeerd genetische informatie te gebruiken om mannelijke kaalheid te voorspellen.

Dat lukt tot op zekere hoogte. Een onderzoek met een polygenetische risicoscore liet bijvoorbeeld zien dat genetische informatie groepen met een hoger en lager risico kan onderscheiden.

Maar ook daar zie je meteen waarom genetica geen glazen bol is.

In de groep met een genetische score onder de mediaan kwam nog steeds ernstige haaruitval voor. Omgekeerd krijgt niet iedereen met een ongunstige genetische score automatisch dezelfde mate van kaalheid.

Genen veranderen dus kansen. Ze schrijven niet exact voor hoe iemand er op zijn veertigste uitziet.

De leeftijd waarop het begint kan binnen één familie flink verschillen

Ook het moment waarop haarverlies zichtbaar wordt is niet vastgelegd op één familie klok.

De ene broer kan op zijn 22e merken dat zijn inhammen teruglopen. Bij een ander begint duidelijke verandering pas na zijn 35e. Een derde behoudt misschien zijn hele leven relatief veel haar.

Dat verschil is belangrijk, omdat vroeg beginnend haarverlies vaak de indruk geeft dat de uiteindelijke kaalheid automatisch ernstiger moet worden. Er bestaat wel een verband tussen vroeg begin en uitgebreidere haaruitval in sommige groepen, maar individueel blijft het verloop moeilijk exact te voorspellen.

Een foto van je vader op zijn dertigste is dus interessant. Het is alleen geen tijdmachine waarmee je je eigen hoofd twintig jaar vooruit kunt bekijken.

DHT is onderdeel van het verhaal, maar gevoeligheid is belangrijker dan simpelweg “veel DHT”

Bij erfelijke haaruitval wordt vaak gesproken over dihydrotestosteron, oftewel DHT.

Daar ontstaat makkelijk een verkeerd beeld. Alsof kalende mannen simpelweg veel DHT hebben en mannen met veel haar weinig.

Het probleem zit vooral in de gevoeligheid van bepaalde haarzakjes voor androgenen. Bij genetisch gevoelige haarzakjes op de hoofdhuid verkort onder invloed van DHT de groeifase. De follikels worden geleidelijk kleiner en produceren steeds fijnere haren.

Die gevoeligheid is niet overal op het hoofd gelijk. De haren aan de zijkanten en achterkant blijven bij klassieke mannelijke patroon haaruitval vaak veel beter behouden dan haar bij de inhammen en kruin.

Zelfs op één hoofd reageren haarzakjes dus al verschillend op dezelfde hormonale omgeving.

Dat maakt het minder verrassend dat twee verschillende personen nog grotere verschillen kunnen laten zien.

Familiegeschiedenis blijft wél nuttig

Dat genetica ingewikkeld is, betekent niet dat familiegeschiedenis waardeloos wordt.

Integendeel. Als veel mannen aan zowel vaders- als moederskant vroeg duidelijke patroon haaruitval kregen, is dat relevantere informatie dan wanneer nauwelijks iemand in de familie ermee te maken heeft.

Onderzoek laat ook zien dat het risico toeneemt wanneer meer familieleden zijn aangedaan.

Alleen moet familiegeschiedenis worden gezien als risicosignaal, niet als voorspelling met een datum erbij.

“Mijn vader is kaal, dus ik word kaal” is te stellig.

“Mijn vader en meerdere ooms werden jong kaal, dus mijn kans is waarschijnlijk hoger” komt veel dichter bij wat de genetica werkelijk zegt.

Waarom mensen toch naar één familielid blijven kijken

Omdat dat veel makkelijker is.

Een genetisch model met tientallen of honderden varianten is moeilijk voor te stellen. Een foto van je vader op zijn dertigste is concreet.

Daarom zoeken mensen graag één voorbeeldpersoon. De opa van moederskant. Een oudere broer. Een oom die precies dezelfde haarlijn heeft.

Maar juist bij een polygenetische eigenschap is dat meestal te simpel. Een familie bestaat niet uit genetische kopieën. Iedereen draagt een andere combinatie van dezelfde familiegeschiedenis mee.

Dat geldt ook wanneer iemand later besluit zich te verdiepen in mogelijkheden bij erfelijke haaruitval. Informatie en producten zijn bijvoorbeeld te vinden via partijen als Minodeals.com, maar de keuze om iets met haarverlies te doen moet gebaseerd zijn op de eigen situatie, niet op het verloop bij een broer of vader.

Een identieke tweeling is daarom extra interessant

Als genetica zoveel invloed heeft, zou je verwachten dat eeneiige tweelingen veel meer op elkaar lijken dan gewone broers. Dat is inderdaad precies waarom tweelingonderzoek interessant is voor wetenschappers.

Eeneiige tweelingen delen vrijwel hetzelfde DNA. Toch kunnen zelfs bij hen in de loop van het leven verschillen ontstaan in allerlei kenmerken.

Dat onderstreept een breder principe: genetische aanleg is bijzonder belangrijk, maar biologie is zelden een simpele aan-uitknop.

Bij gewone broers is de ruimte voor verschillen nog veel groter, omdat zij niet hetzelfde volledige genetische pakket delen.

Tot slot

Twee broers kunnen dus dezelfde ouders hebben en toch een totaal andere haarlijn ontwikkelen.

Niet omdat erfelijkheid bij één van hen ineens niet werkt, maar juist omdat erfelijkheid ingewikkelder werkt dan we in het dagelijks leven vaak voorstellen.

Mannelijke patroon haaruitval wordt beïnvloed door veel genetische varianten. Een deel daarvan kan via de moeder komen, een deel via de vader. Iedere zoon krijgt een andere combinatie en die combinatie beïnvloedt de gevoeligheid van zijn haarzakjes.

Daarom is de familiealbum test vooral interessant, niet beslissend.

Je vader vertelt iets over je risico. Je opa ook. Je broer misschien nog meer.

Maar geen van hen laat precies zien wat er met jouw haar gaat gebeuren.

Laat een reactie achter ♥

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*